Lyke Lotte

”Ik studeer aan het Conservatorium in de richting docent muziek, ik ben nu vierdejaars. Op het Conservatorium kies je eigenlijk één hoofdrichting/ hoofdinstrument zoals cello of piano; daar krijg je dan dus verschillende lessen in. Ik heb ook een hoofdinstrument – zang, maar daarbij krijg ik ook de pedagogische, didactische kant van het lesgeven onderwezen.

Ik wilde duidelijk verder in de muziek na mijn middelbare school (ik heb altijd gezongen en cello gespeeld), maar ik wilde niet per se zelf performen of optreden en dan is deze studie eigenlijk perfect. Ik ben nog steeds blij met mijn keuze om deze richting in te gaan. Vooral het praktische gedeelde; het zingen, spelen en met je klasgenoten samen echt iets neerzetten vind ik fantastisch.

Ik loop nu stage bij psychiatrische patiënten. Dit wordt vanuit de opleiding geregeld; het is een ‘community’ stage. Tijdens mijn stage spelen de mensen echt in een band en ik coach ze. Heel interessant en totaal iets anders dan voor een klas kinderen staan; deze mensen zijn veel vrijer, laten zich makkelijker gaan. Het gaat echt om plezier maken in de muziek, niet per se om het leren; kijken waar je komt als je gewoon gáát.
Het gaat tegenwoordig – ook in het onderwijs bijna alleen maar om het kennen en het toepassen van je kennis, echt om presteren en het toetsen. Dat vind ik soms moeilijk, die hele theoretische kant, daardoor verlies je soms plezier en het vrije dat ik juist zo mooi en leuk vind aan muziek.

Werken met kinderen vind ik ook heel leuk. Ik leid op verschillende kinderkampen ook de muziek; in de avond zing je dan een uur met de kinderen vierstemmige liedjes. Met enthousiasme kun je die kinderen zó ver krijgen, daar word ik echt gelukkig van. De sfeer die daar is, is heel veilig en open en je merkt echt zo’n verandering bij kinderen. Ze beginnen met ”nee, ik wil niet zingen – ik heb geen zin” en eindigen voluit zingend en dansend door de ruimte: helemaal los, zonder gene. Mijn doel is om díe sfeer terug te brengen in de klas en in het schoolsysteem.”

 

Coenraad

‘’Ik ben nu derdejaars student Geschiedenis aan de Uva. En hiervoor studeerde ik aan de HvA om leraar geschiedenis te worden. Ik ben overgestapt omdat ik eerst nog ‘echt’ student wilde zijn voor ik me zou storten op het leraarschap. Ik zie wel wat er op mijn pad komt als ik ben afgestudeerd; ik houd ervan om ergens in te rollen. Ik ben soms bang voor teveel structuur, ik wil heel graag openstaan voor nieuwe dingen en leven op de wind.
Tegelijk vind ik ook veel vrijheid in structuur. Ik ben erg van de ups en downs – altijd en erg in extremen in alles wat ik doe. Hoewel ik de laatste tijd merk dat ik meer steadiness ervaar dan ooit: ik word zekerder van mezelf en ervaar daardoor veel meer rust. .

Ik doe nu een minor religiewetenschappen en dat interesseert me heel erg. Ik denk dat heel veel mensen in Nederland seculier of atheïstisch zijn – of denken te zijn en ik vind het interessant om juist dat gegeven te onderzoeken als religie. Voor mij is niet-geloven net zo goed een religie.

Ik werk in het Stedelijk Museum, met kunst dus, en ik heb laatst een heel interessant artikel gelezen over religie en kunst van André Droogers. Hij zegt dat je religie eigenlijk moet zien als een kunstvorm waarbij je in een bepaalde wereld stapt met eigen regels en gebruiken en dat je dát dan gelooft. Net als bij een film: je weet dat niet alles ‘echt’ is, maar je gelooft het op het moment van kijken wel.
Ik denk dat als iedereen op zo’n speelsere manier met religie om zou gaan, dat mensen meer zingeving kunnen vinden in het leven en elkaar meer en beter zouden begrijpen. André Droogers zegt dat dit ook de rol van de wetenschap is: om die speelsheid te houden ten opzichte van de zingeving. Dat vind ik een mooie gedachte.”

Roene

‘’Ik begon aan de studie Algemene cultuurwetenschappen nadat ik een lange tijd ziek ben geweest. Ik dacht: ik ga gewoon studeren, dan wordt alles weer ‘normaal’ en dan merk ik tenminste dat er aan mijn intelligentie niets veranderd is.
Deze studie voelt voor mij als 3 studies in één: antropologie, sociologie en kunstgeschiedenis. En deze drie richtingen interesseren mij heel erg. Wat dat betreft denk ik dat dit echt de studie is voor mij.
Maar ik merkte al snel dat studeren en alles wat daarbij hoort nog veel te intens is, omdat ik eigenlijk nog steeds heel erg aan het herstellen ben. Ik had pfeiffer met zeer zeldzame complicaties, waardoor mijn mild eruit moest.
Ik heb nu vooral nog last van de nawerking van pfeiffer: ik weet als ik wakker word nooit of ik het einde van de dag haal zonder een ‘down’ moment. Tijdens het studeren ging mijn herstel achteruit en ben ik zelfs flauwgevallen in een college. Het was teveel en ik moest eigenlijk noodgedwongen een studiepauze inlassen.

Stoppen met studeren voelde heel erg als opgeven en dat vond ik moeilijk, want zo ben ik helemaal niet: ik wil altijd doorgaan en de volle 100% geven.
Maar ik moet nu vooral accepteren dat ik niet van de één op de andere dag weer ‘normaal’ ben en alles kan doen wat ik deed voor ik ziek werd. En volgend jaar begin ik dan gewoon opnieuw met deze studie.

Wat me in de toekomst heel gaaf lijkt is om naar verschillende steden te reizen en dan op bijzondere of extreme plekken een expositieruimte te maken en te gekke kunst tentoonstellen. Of op een ‘weirde’ plek een festival organiseren, dat werk.
Ik denk dat ik daarmee de meeste dingen die ik wil doen kan combineren: echt zelf iets organiseren, maar ook het belang van kunst en cultuur laten zien. En met veel verschillende mensen (samen)werken, dat lijkt me wel wat.
Ik denk dat het belangrijk is om zoiets voor ogen te hebben, omdat je dan echt het idee hebt dat je ‘het’ ergens voor doet. Natuurlijk wordt zo’n ‘ideaalplaatje’ nooit helemaal de realiteit, want je weet nooit wat er morgen gebeurt – dat weet ik nu als geen ander. Maar het maakt je wel veel vrolijker als je dit soort beelden voor je ziet.’’